Mimis verhoren : René Appel

Een interview met de Nederlandse misdaadauteur

Réne Appel, geboren in 1945, behoort tot de bekendste Nederlandse misdaadauteurs. Zijn misdaadromans zijn anders, spannend … en beroeren het innerlijk, omdat ze vertellen over mensen, die we zelf konden zijn; over diegenen die naast ons in het bureau zitten, bij de bakker brood halen of onze kinderen les geven. Zijn verhalen laten ons niet los.

Leraar en docent voor spraakwetenschappen, recenseerde hij later in het NRC Handelsblad de misdaadromans van zijn toekomstige collega´s, tot hij uiteindelijk eind jaar tachtig zelf naar de pen greep. Hij werd geïnspireerd door auteurs als Ruth Rendell en Patricia Highsmith. Het is jammer dat in het totaal slechts 4 romans en 2 kinderboeken van hem naar het Duits vertaald werden. Men moet hopen, dat er nog verder uitgevers zullen gevonden worden, die deze auteur opmerkzaam zullen worden. Voor Einseitig.info had Marie van Bilk de gelegenheid de auteur over zijn werk te bevragen.

Sinds eind jaren ´90 schrijft u misdaadromans, ondertussen al 19. Wat maakt het genre voor u zo boeiend?

Het is boeiend om een verhaal te bedenken, over een menselijk probleem of een sociaal conflict te schrijven, en dat zo te doen dat lezers willen… nee, moeten weten hoe het verder gaat, hoe het afloopt. Het soort verhalen dat ik vertel, zou je ook in een puur literaire vorm kunnen gieten, maar dan ontbreekt vaak dat element van spanning, terwijl ik dat een belangrijk kenmerk vind van aantrekkelijke, lezenswaardige boeken. Daar komt trouwens bij dat ik na mijn eerste paar boeken heb ontdekt dat het genre mij ‚past’, dat ik me erin thuisvoel, en dat ik ook daarom graag thrillers schrijf.

Veel van uw romans, o.a. naast twee van uw kinderboeken werden naar het Duits vertaald. Hoe is het tot deze vertalingen gekomen en waarom net deze 4 romans?

Voor een deel is dat een gevolg van toeval. Bij mijn eerste vertaalde boek ging het om een nieuwe Duitse uitgeverij (Twenne Verlag), die zich wilde gaan specialiseren in vertaalde Nederlandse literatuur. Ik weet niet hoe dat is gebeurd, maar op een gegeven moment zijn ze bij mijn roman ‚De derde persoon’ terechtgekomen, misschien wel omdat ik daarmee de Gouden Strop 1991, de prijs voor de beste Nederlandstalige misdaadroman had gewonnen. Bij het volgende boek (Geweten, vertaald als Tod am Leuchtturm) ging het weer anders. Een goede vriend van me sprak de uitgever van Hanser Verlag, en die vroeg hem of hij nog goede, nieuwe Nederlandse boeken wist, die een vertaling in het Duits verdienden. Die vriend van me noemde toen mijn boek. Uiteindelijk is Tod am Leuchtturm toen gepubliceerd door Nagel & Kimche, een soort Zwitserse afdeling van Hanser, geloof ik. Die hebben toen ook mijn twee jeugdboeken uitgebracht.

U heeft de dood van Pim Fortuyn als aanleiding genomen, om een roman met het titel „Doorgeschoten“ te schrijven. Ook Tomas Ross heeft het thema opgepikt en in een roman verwerkt. Wat verbindt en onderscheidt de bewegredenen van jullie romans en wat bracht u ertoe dit thema te kiezen?

Eerst de laatste vraag. Ik koos simpelweg voor dit thema, omdat ik een ‚idee’ kreeg, en wel het volgende. Vlak na de moord op Fortuyn zeiden nkele medestanders dat ‚de kogel van links kwam’, m.a.w. linkse politici waren in feite verantwoordelijk voor de moord. Toen bedacht ik het volgende: stel dat de kogel eigenlijk van rechts kwam. Daarop ben ik doorgegaan.

Het grote verschil met het boek van Tomas Ross is, dat hij een faction-boek heeft geschreven, m.a.w. een boek dat de werkelijkheid (de feiten) als uitgangspunt neemt, en vervolgens een aantal onduidelijkheden uit die werkelijkheid invult of een aantal open gebeleven vragen beantwoordt via de fantasie (fiction). Zijn boek is wat dit betreft dus als het ware realistischer dan het mijne.

Een verschil tussen de twee boeken is overigens ook dat de populistische politicus in mijn verhaal veel minder sympathiek is dan de politicus (Pim Fortuyn dus) bij Tomas Ross. Verder zijn er in de uitwerking ook allerlei verschillen die samenhangen met het het verschil tussen fictie (mijn boek) en faction (dat van Tomas Ross).

In uw onlangs gepubliceerde roman „Loverboy“ wordt gebruik gemaakt van een bijzonder soort tweeledige vertelwijze. Kunt u ons meer over de roman en deze vertelwijze zeggen?

In feite heb ik in ‚Loverboy’ (helaas nog niet in het Duits vertaald) gebruik gemaakt van een wel vaker gehanteerde techniek, namelijk die van het verhaal in het verhaal. In Loverboy is Yoka Kamphuys de hoofdpersoon. Zij schrijft misdaadromans met een vaste hoofdpersoon, de private eye Anouk Akkerman. Die Anouk moet voor een opdracht een verdwenen tienermeisje, Shana, zien te vinden. Stukken van dat misdaadverhaal lezen wij ook in Loverboy, dat verder vooral gaat over Yoka, die op een gegeven moment ontdekt dat haar man een minnares heeft, iets wat ze absoluut niet kan accepteren. En meer vertelt ik niet. Dan moeten mensen het boek maar lezen. Belangrijk is wel dat beide verhalen (het kaderverhaal over Yoka, en het binnenverhaal over Anouk) op een gegeven moment bij elkaar komen.

Momenteel werkt u aan een nieuwe roman met de titel „Los geld“ (Kleingeld). Bij een misdaadroman ligt de associatie met „losgeld“ voor de hand. Ook bij de titel van uw andere werken speelt u met de dubbele betekenis von woorden in het Nederlands. Is dit met opzet gedaan en heeft dit een betekenis?

Het gebruik maken van woorden met een dubbele betekenis doe ik zeker. In de meeste gevallen is die dubbele betekenis ook relevant, bijvoorbeeld bij mijn boek Tweestrijd (in het Duits vertaald als Rachsucht; op die Duitse titels heb ik geen invloed). Tweestrijd betekent hetzelfde als ‚dilemma’, maar het slaat ook letterlijk op een strijd tussen twee personen. Bij dit boek klopten beide betekenissen.

Voor „Los Geld“ zijn er in feite drie betekenissen, namelijk „kleingeld“, „losgeld“, maar ook zoiets als „geld dat niet vast is“.

Voor uw nieuwe roman doe je veel aan research. Zo verdiept uw jezelf in het beroep van een immobilienmakelaar. Is het voor u belangerijk hier heel precies te werk te gaan? Hoe gebruikt u deze kennis bij het invullen van uw personages?

Ja, het is altijd goed om veel reserach te doen naar beroepen enz. Zo leer je het e.e.a. over procedures, terminologie, invulling van het dagelijks leven, enz. van de personages. Tijdens die fase van de research leer ik die personages ook als het ware een beetje kennen. Daar maak ik gebruik van als ik uiteindelijk ga schrijven.

Ook een theaterstuk „Recht van Overpad“, dat binnenkort in Den Bosch zal te zien zijn, ligt in de pijplijn. Het gaat over een gezin uit de stad dat op het platteland gaat wonen, en dat niet goed past in de ‚cultuur‘ van het platteland.In welke mate verschilt deze arbeid van deze warbij u een misdaadroman schrijft?

Een groot verschil is, dat er niet alleen het woord is, zoals in een boek, maar ook het beeld, het spel van de acteurs, het decor, enz. Voor een toneelstuk geldt, net als voor een film, de bekende Holywood-uitspraak ‚Show, don’t tell’.

Verder hebben lezers hun eigen tempo bij het lezen of verwerken van het verhaal. Dat is niet het geval bij een toneelstuk.

Een zeer praktisch verschil is dat je bijn een toneelstuk beperkt bent, bijvoorbeeld wast betreft het aantal personages. Dat is bij een roman in veel mindere mate het geval.

Uw boek „Tweestrijd“ wordt binnenkort mogelijk verfilmd. U werkt aan een draaiboek. Krijgen uw personages door deze verandering een ander gezicht, of worden ze concreter of realistischer?

Als het eenmaal een film is geworden, zullen ze in bepaalde opzichten realistischer of concreter worden, maar in de fase van het scenario zijn ze grotendeels (of vvolledig) hetzelfde als de personages in het boek. Dat ze in een film realistischer worden, heeft natuurlijk ook nadelige kanten: ze blijken anders te zijn dan de lezer had gedacht. Tot op grote hoogte blokkeert film de persoonlijke fantasie van de toeschouwer.

Denkt u dat de Nederlandse misdaadroman meer populariteit verdient in Duitsland en waarom?

Deze vraag is moeilijk te beantwoorden, omdat ik niet veel weet over de gemiddelde populariteit van de Nederlandse misdaadroman. Het is ook moeilijk om te zeggen wat de Nederlandse misdaadroman is. Wel denk ik dat de laatste tien jaar in dat genre steeds betere boeken worden geschreven, en dat dat in het buitenland vaak onvoldoende wordt erkend of herkend.

Als meesteressen van de psychologisch misdaadroman behoren Ruth Rendell en Patricia Highsmith tot uw lievelingsauteurs. Maar ook in Nederland en Duitsland echt onbekende auteurs als Elmore Leonard en George Pelecanos worden door u geapprecieerd. Van George Pelecanos beveelt u „The big blowdown“ aan. Wat facineert u aan dit boek? Welke sterke en zwakke punten hebben deze auteurs volgens jou?

Van Elmore Leonard vond en vind ik de stijl heel goed, het directe, de sociale setting die hij schetst. Als je daar als lezer eenmaal in zit, wordt je onontkoombaar meegesleept. Leonard’s dialogen behoren tot het beste werk binnen het genre. Hij weet mensen uitstekend te karakteriseren via hun taalgebruik. Maar… als je veel van hem leest, lijkt dat op een gegeven moment weer een kunstje te worden, en dringen de clichés en de stereotypen zich ook op. Dus: lees Leonard, maar met mate.

Wat betreft Pelecanos: ik heb nu 4 boeken van hem gelezen, en vind eigenlijk alleen The Big Blowdown goed. Dat is dan meteen ook erg goed. Het knappe is dat hij een interessant misdaadverhaal weet te vervlechten met een sociaal-kritisch verhaal over een Griekse immigrantengemeenschap in Washington. Het is een verhaal dat me overdonderde, vooral ook omdat Pelecanos het waagt om een verhaal niet goed af te laten lopen.

Welke Nederlandse auteurs tellen tot uw favourieten en waarom?

Bij de misdaadauteurs heb ik geen echte favorieten, maar ik waardeer het werk van onder meer Tomas Ross, Jac Toes en Chris Rippen. Waarom? Ja, omdat ze over het algemeen goede, overtuigende misdaadverhalen vertellen. Over elk boek van hen zou wel wat te zeggen zijn, maar dat zou te ver voeren.

Veel Nederlandse auteurs houden er niet van om als misdaadauteurs aangeduid te worden. Zo staan Maarten t´Hart of Tim Krabbé erop enkel „spannende boeken“ te schrijven. Is dit onderscheid nodig?

Het onderscheid tussen ‚misdaadliteratuur’ en „echte literatuur“ is niet echt nodig, maar tot op zekere hoogte wel relevant. In veel misdaadliteratuur gaat het vooral om de intrige, hoe spannend en verrassend die is. In andere literatuur is veel belangrijker wat de schrijver ermee wil zeggen over wat er speelt tussen mensen, hoe ze met elkaar omgaan, hoe de wereld in elkaar zit, enz. Daar komt bij dat in de „echte literatuur“ de stijl van schrijven ook heel belangrijk is, terwijl dat in misdaadliteratuur in veel mindere mate het geval is. Een ander verschil is dat het aantal stereoptypen en clichés in misdaadliteratuur over het algemeen veel groter is dan in „echte“literatuur. Dat alles neemt natuurlijk niet weg, dat er geen absolute verschillen zijn tussen de twee typen literatuur. Daarom is er ook een soort tussengebied, waarin met name schrijvers van psychologische thrillers zich bevinden, maar bijvoorbeeld ook iemand als John le Carré.

U heeft ook kinderboeken geschreven. Het is zeker niet eenvoudig zich in de leefwereld van kinderen in te leven. Tenslotte is men de wereld van de volwassenen ingerold en vergeet men wat men als kind belangerijk vond. Voelt u dit ook zo aan en heeft dit, mocht dit het geval zijn uw schrijven beinvloed?

Ik heb de pretentie dat ik de wereld van kinderen nog redelijk goed kan doorgronden, omdat ik zelf ook ouder ben (van twee kinderen), en omdat ik bijvoorbeeld ook veel op scholen geweest ben (als onderzoeker), maar ook omdat ik jarenlang de trainer en leider van het voetbalteam van mijn zoon ben geweest. Ook als je die kinderwereld redelijk goed denk te kennen, blijft het natuurlijk altijd nog wel een probleem om daar in een boek, in een geschreven tekst, aansluiting bij te vinden.

Uw taalkondig onderzoeken golden o.a. de straattaal van jongeren. Heeft de daar beworven kennis de weg naar uw romans gevonden? In welke mate?

In het algemeen heb ik altijd veel belangstelling gehad voor spreektaal, en kennis daarover (of intuïtie daarover) heb ik altijd toegepast in mijn dialogen. Kenmerken van de spreektaal van jongeren, de zogenaamde straattaal, heb ik onder meer gebruikt in mijn laatste boek, Loverboy. Dat heb ik echter tamelijk spaarzaam gedaan, omdat (a) die straattaal snel kan veranderen, en (b) overdaad altijd schaadt bij zoiets als kenmerken van taalgebruik; voor je het weet, wordt een personage dan een clichéfiguur.

Wie is uw beste en wie is uw scherpste criticus en hoe gaat u ermee om?

Moeilijk te zeggen. Ik vind dat Menno Schenke van het Algemeen Dagblad altijd een goed afgewogen oordeel heeft. Hij beargumenteert zijn mening en doet dat op basis van elementen uit het boek dat hij bespreekt en van zijn brede kennis van de misdaadliteratuur.

Mijn scherpste criticus is Hans Knegtmans van Het Parool. Hij is vrijwel zonder uitzondering (tamelijk) negatief over mijn boeken, terwijl ik soms de indruk heb dat hij ze nauwelijks heeft gelezen.

En hoe ik daarmee omga? Dat is moeilijk te zeggen. Positieve kritieken stemmen mij natuurlijk vrolijk. Negatieve hebben een slecht effect op mijn humeur, maar dat slijt weer na een tijdje.

In Nederland krijg je o.a. tijdens de „Maand van het Spannende Boek“ bij aankoop van boeken voor een bepaald bedrag een boek cadeau. Wat vind je van deze actie van de CPNB en is het doel het lezen te bevorderen bereikt?

Ik vind dat een prachtige actie, vooral ook omdat het publiciteit met zich meebrengt, voor het genre in zijn totaliteit en zeker voor de schrijver die dat cadeauboekje mag schrijven. Van het boekje dat ik schreef voor de Maand van het Spannende Boek in juni 2005 (‚Als broer en zus’) zijn bijna een half miljoen exemplaren als geschenk aan de lezer over de toonbank gegaan. Dat is toch een geweldige oplage!

Voor de „Maand van het Spannende Boek“ heeft u dus „Als broer en zus“ geschreven en daarbij het thema van de moord naast de deur opgegrepen. U heeft eens gezegd: „ De lezer moet het gevoel krijgen, dit kann mij ook gebeuren“. De moord of de misdaad nabij is vaak en thema in uw romans. Waarom?

Tja, waarom? Misschien wel omdat ik die literatuur die je op jezelf kunt betrekken de beste, de mooiste, de interessantste literatuur vind. Dat wil niet zeggen dat alles zich in je directe omgeving van jezelf zou moeten afspelen in een boek, dat zeker niet. Maar het is wel belangrijk dat je de emoties, de relaties, het gedrag enz. van de personages herkent, dat je je er iets bij kunt voorstellen, kortom, dat je mee kunt leven. Voor mijn eigen romans kies ik dan wel situaties en personages die wel in de directe omgeving van de lezers (en van mezelf) voor zouden kunnen komen, hoewel die situaties toch steeds weer van elkaar verschillen.

Ook de „Gouden Strop“, de bekende prijs voor het beste spannende boek in Nederland, heeft als doel de misdaadliteratuur te ondersteunen en de interesse bij lezers, boekhandelaars en uitgevers te wekken met betrekking tot de eigen misdaadliteratuur. Bent u, als winnaar van de „Gouden strop“ van oordeel, dat dit doel bereikt werd?

Het oorspronkelijke doel van de Gouden Strop is zeker bereikt. Veel mensen kennen de prijs van naam en ze kunnen soms een of meer winnaars noemen. Verder brengt de prijs elk jaar weer aardig wat publiciteit met zich mee, en die is vooral belangrijk omdat de vertaalde buitenlandse boeken (met name oorspronkelijk Engelstalige, maar ook Scandinavische) nog altijd dominant zijn binnen het genre.

In het Duits heeft men een spreekwoord dat zegt dat „vele koks de brei verderven“. Is dit volgens u ook van toepassing op het projekt „ De dood van de kroonprins“ waar u samen met 9 gerenomeerde collega´s een misdaadroman geschreven hebt? Hoe heeft u dat ervaren?

Er waren bij „De dood van een kroonprins“ overigens maar 3 echte koks, en 6 hulpjes. De echte koks waren Tomas Ross, Rinus Ferdinandusse en ik. Wij hebben de intrige helemaal bedacht. De andere 6 auteurs kregen min of meer een uitgewerkte schrijfopdracht. Het blijft, ondanks deze opzet, toch heel moeilijk om met 9 mensen een boek te schrijven. Daarom is deze actuele politieke thriller misschien toch niet geworden wat we ervan hadden gehoopt.

Wat zou jij van Duitse lezers, boekhandelaars en uitgevers voor uw boeken wensen?

Ik zou wensen dat meer mensen met meer van mijn boeken kennis zouden maken.

Wat wenst u jezelf voor je toekomst als misdaadromanauteur?

Nog veel mooie boeken, en verder: daadwerkelijke verfilming van een van mijn boeken (waarna andere zouden kunnen volgen) en meer vertalingen, niet alleen in het Duits, maar ook in andere talen, m.n. het Engels, omdat de Engelstalige wereld toch het walhalla van de misdaadliteratuur is.

Maar eigenlijk is het belangrijkste dat ik plezier houd in het schrijven, en me niet gek laat maken met vragen over verkoopcijfers, succes, verfilmingen enz. Simpel gezegd: het moet leuk blijven.

Boeken:

  • Loverboy, Uitgeverij Prometheus
  • Als boer en zus, Uitgeverij Prometheus
  • Misbruik wordt gestraft, Uitgeverij Prometheus
  • Doorgeschoten, Uitgeverij Bert Bakker
  • Noodzakelijk kwaad, Uitgeverij Bert Bakker
  • Zinloos geweld, Uitgeverij Bert Bakker
  • De Echtbreker, Uitgeverij Bert Bakker
  • Spanning, Uitgeverij Contact
  • Tweestrijd, Uitgeverij Bert Bakker
  • Geweten, Uitgeverij Bert Bakker
  • Van kwaad tot erger, Uitgeverij Bert Bakker
  • Tegenliggers, Uitgeverij Bert Bakker
  • Geronnen bloed, Uitgeverij Bert Bakker
  • Vlekkeloos, Uitgeverij Bert Bakker
  • Persoonlijke omstandigheden, Uitgeverij Bert Bakker
  • Oppassen, Uitgeverij Bert Bakker
  • De derde persoon, Uitgeverij Bert Bakker
  • Spijt, Uitgeverij Bert Bakker
  • Handikap, Uitgeverij Bert Bakker

Kinderboeken:

  • Foute Boel, Uitgeverij Elzenga
  • Complot,Uitgeverij Elzenga

Ersterscheinungsdatum: 26.09.2005 auf einseitig.info

Erschienen auch in: „Die schöne Kunst der Einseitigkeit“, Edition Einseitig, 2009

© Marie van Bilk/Maria Jürgensen – Veröffentlichungen, auch in Auszügen nur mit ausdrücklicher Genehmigung der Autorin.